“Toen ik klein was moesten we altijd de prauw gebruiken om
bij de tuin te komen”, vertelt een kennis van ons. “We kwamen dan altijd langs
een dorp waar bunian’s woonden. Dat is een type djins, die kun je normaal gesproken niet zien. Heel soms wel. Ze eten hetzelfde eten als ons, de Maleiers. In hun dorp mochten we niet komen.
Op een dag ging ik samen met mijn vader en mijn jongere zusje naar de tuin. Toen we klaar waren moesten we wachten tot het getij weer opkwam, zodat we met het getij mee terug konden roeien naar het dorp. We woonden dichtbij de zee, in een moerassig gebied. (Voor de mensen onder de rook van Rotterdam en dichterbij Dordt: een soort Biesbosch.) Terwijl we wachtten op het getij waren mijn zusje en ik aan het spelen. We raakten steeds verder bij de tuin vandaan en kwamen dichterbij het dorp met de bunians. Ik liep een klein eindje daar naartoe en zag een prachtige laan. De kruinen van de bomen sloten boven de laan, zoals een oprijlaan naar een paleis. Ik vond het heel mooi, maar werd ook bang, het was zo mooi! Dus ik ging snel terug naar mijn vader en mijn zusje. Ik vertelde wat ik gezien had. Mijn vader wilde daarna ook gaan kijken en liep naar het dorp met de bunians toe.
En toen… kwam hij niet meer terug. Toen hij wel terug kwam was dat pas na drie dagen. Maar in mijn vaders beleving was hij er maar een paar uur.”
“Djins kunnen ook trouwen met mensen en kinderen krijgen. Maar als je liegt, sturen ze je weg. Een man uit ons dorp was getrouwd met een djin uit het dorp naast ons. Hij had daar een vrouw en drie kinderen. Een van de kinderen wilde graag met zijn vader mee, maar de vader wilde dat niet. Hij probeerde zijn kind af te leiden en zei: “Als ik terug kom neem ik een vogel mee die ik geschoten heb.” Maar toen hij terug kwam was hij het alweer vergeten en had hij geen vogel bij zich. Toen stuurde zijn vrouw hem weg. Zo kwam de man weer terug in ons dorp. Hij was helemaal veranderd en was niet meer zoals hij eerst was.”


















